![]() |
|
Andreas Cellarius, Harmonia macrocosmica seu atlas universalis et novus, totius universi creati cosmographiam generalem, et novam exhibens : in qua omnium totius mundi orbium harmonica constructio, secundum diversas diversorum authorum opiniones [...] studio et labore Andreae Cellarii Palatini, scholae Hornanae in Hollandia Borealis rectoris. Amsterdam, Petrus Schenk en Gerard Valk, 1708. 2º.
Band Oorspronkelijke band van perkament over kartonnen platten, met goudstempeling.
Herkomst Door Gerrit Moll (1785-1838), hoogleraar wis-, natuur- en sterrenkunde, en directeur van de Sterrenwacht in Utrecht, nagelaten aan de Universiteitsbibliotheek.
Andreas Cellarius (ca. 1596-1665) werd geboren in Neuhausen (nabij Worms), als zoon van een predikant. Hij studeerde enige jaren in Heidelberg en woonde van 1625 tot circa 1633 in Amsterdam. Waarschijnlijk was hij leraar aan de Latijnse school in de Koestraat aan de Oude Zijds. Na enige jaren in Den Haag werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1637 benoemd tot rector van de Latijnse school in het Noordhollandse Hoorn, waar hij de laatste dertig jaar van zijn leven bleef wonen. Hij vermeldde zelf op het titelblad van zijn hier getoonde, voornaamste werk dat hij afkomstig was uit het Duitse vorstendom de Palts, en in 1660, toen de eerste druk van de Harmonia macrocosmica verscheen, rector was van de Latijnse school in Hoorn. De naam Cellarius is vermoedelijk een verlatinisering van het Duitse Keller of Kellner.
De ontstaansgeschiedenis van de even fraaie als wetenschappelijk waardevolle hemelkaarten van zijn hand is nooit helemaal opgehelderd. In de Nederlanden zijn vóór de negentiende eeuw geen andere hemelatlassen gepubliceerd. De aard- en hemelkaarten zijn waarschijnlijk grotendeels gebaseerd op die in andere uitgaven van de bekende Amsterdamse uitgever van atlassen Johannes Janssonius (zie ook nr. 36), die in 1660 het aan de Engelse koning Karel II opgedragen werk voor het eerst uitgaf. De sterrenkaarten zijn gebaseerd op voorstellingen die teruggaan op de hemelglobes die vanaf 1612 werden uitgegeven door Petrus Plancius en Pieter van den Keere. In 1623 had Johannes Janssonius de koperplaten voor deze globes overgenomen. De atlas telt 29 kaarten van het heelal. Elke kaart wordt gevolgd door vier tot negen pagina's verklarende tekst, voor zover bekend samengesteld door Cellarius zelf. Ook de in 1661 en 1666 bij dezelfde uitgever verschenen herdrukken zijn op deze wijze ingedeeld. Aan het einde van de zeventiende eeuw verkochten de erven Janssonius hun gehele bezit aan koperplaten, waaronder die van de Harmonia macrocosmica, aan de Amsterdamse uitgeverscombinatie Petrus Schenk en Gerard Val(c)k (zie ook nr. 40). In veel gevallen brachten zij verbeteringen en aanvullingen aan. In 1708 gaven zij deze herdruk van de oorspronkelijke 29 platen zonder de verklarende tekst uit. Aan iedere plaat is het impressum 'Prostant Amstelaedami apud Petrum Schenk, et Gerardum Valk. C.P.' toegevoegd.
Het werk dankt zijn succes aan de onovertroffen combinatie van wetenschappelijke volledigheid en accuratesse en een artistiek uitzonderlijk hoog niveau. Meer dan alleen een geïllustreerde beschrijving van de toen actuele kennis op het gebied van het heelal, de sterren en de planeten, geeft het werk een volledig historisch overzicht van de theorieën betreffende deze materie vanaf de klassieke oudheid tot halverwege de zeventiende eeuw. De eerste kaarten tonen het heelal met de aarde als middelpunt volgens de opvatting van de Griekse astronoom, geograaf en wiskundige Claudius Ptolemaeus (tweede eeuw na Chr.). In zijn Syntaxis mathematica (door Arabische vertalers als Almajisti betiteld en daardoor bekend als Almagest) geeft hij een samenvatting van de antieke geocentrische astronomie, die daarom 'het stelsel van Ptolemaeus' wordt genoemd. Daarna volgen enige kaarten van het heelal volgens de opvatting van de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus (Niklas Koppernigk, 1473-1543), voor wie op grond van zijn berekeningen vast stond dat de zon als centrum van het heelal beschouwd diende te worden.
Dit heliocentrische wereldbeeld heeft definitief zijn intrede gedaan na de publicatie van de op Copernicus' theorie gebaseerde onweerlegbare bewijzen ervoor in de geschriften van de Italiaanse natuur- en sterrenkundige Galileo Galilei (1564-1642). Het was de oorzaak van een diepgaand conflict met de christelijke kerk, die het in strijd achtte met het bijbelse scheppingsverhaal. Door de auteur een publicatieverbod op te leggen probeerden de kerkelijke autoriteiten de verspreiding van deze 'ketterse' denkbeelden te voorkomen. Als gevolg van het beruchte 'Galilei-proces' (1616) werd het werk van zowel Copernicus als Galilei op de index geplaatst. Eeuwen lang is hierdoor de verhouding tussen kerk en wetenschap vertroebeld geweest. De beroemde Deense astronoom Tycho Brahe (1546-1601) (zie ook nr. 38) heeft getracht een compromis tussen beide in feite niet verenigbare opvattingen te bewerkstelligen. Ook daar zijn enige kaarten aan gewijd. Na een aantal kaarten die de banen van de zon, de maan en de planeten weergeven, eindigt het boek met de sterrenbeelden van het noordelijk en zuidelijk halfrond. Eerst het op bijbelse figuren en voorwerpen gebaseerde concept van de Duitse augustijner monnik en astronoom Julius Schiller, wiens Coelum stellatum Christianum ('De Christelijke sterrenhemel') in 1627 was verschenen; vervolgens de klassieke, tot op heden gangbare voorstelling, verdeeld over vier kaarten, waarvan hier een van het noordelijk halfrond.
Literatuur