![]() |
|
Ole Worm, Museum Wormianum seu historia rerum rariorum, tam naturalium, quam artificialium, tam domesticarum, quam exoticarum, quae Hafniae Danorum in aedibus authoris servantur. Adornata ab Olao Worm [...] variis & accuratis iconibus illustrata. Leiden, Johannes Elzevier, 1655. 2º.
Band Oorspronkelijke band van kalfsleer over kartonnen platten, met goudstempeling.
Herkomst Door de Utrechtse hoogleraar scheikunde J.C. Barchusen in 1723 aan de Universiteitsbibliotheek nagelaten.
De Deense burgemeesterszoon Olaus Worm (1588-1654) was een zeer veelzijdig geleerde. Hij studeerde zowel theologie als filosofie aan de universiteiten van Marburg en Giessen. Vervolgens studeerde hij medicijnen in Straatsburg, Bazel, Montpellier en Parijs. Via Nederland, waar hij in Enkhuizen de rariteitenverzamelaar Bernardus Paludanus (zie nr. 29) ontmoette, keerde hij ten slotte naar Denemarken terug Na het behalen van de doctorsgraad in de theologie en de medicijnen bekleedde hij achtereenvolgens de leerstoelen in de Griekse letteren (vanaf 1613), de natuurkunde en de medicijnen (vanaf 1624) aan de universiteit van Kopenhagen. Hij deed enkele anatomische ontdekkingen en publiceerde een groot aantal wetenschappelijke werken op oudheidkundig, historisch, medisch, theologisch en filosofisch gebied, waarvoor hij door de Deense koning Christian IV werd onderscheiden; verder reisde hij veel en legde vanaf 1622 een belangrijke verzameling zeldzame voorwerpen van voornamelijk natuurhistorische en etnografische aard aan, die hij de naam Museum Wormianum gaf. In een brief uit 1639 aan de IJslandse predikant Arngrim Jonsson beschrijft Worm zijn collectie en het gebruik dat hij ervan maakt bij het geven van praktijkgericht botanisch en zoölogisch onderwijs aan zijn studenten, zoals hij dat zelf in het nieuwe curriculum van de universiteit had aanbevolen. Dit 'rariteitenkabinet' gold in zijn tijd als een van de belangrijke bezienswaardigheden van Kopenhagen. Behalve hoogleraar, de laatste jaren van zijn leven rector magnificus, was hij ook de lijfarts van de Deense koning Christian V, in wiens rariteitenkabinet de verzameling van Worm na zijn dood zou opgaan.
Zoals de titel van deze 'catalogus' van de in het Museum Wormianum aanwezige in- en uitheemse naturalia en artefacten aangeeft, zijn de beschrijvingen en de illustraties door de verzamelaar zelf gemaakt. Het werk is een jaar na diens dood uitgegeven door zijn zoon Wilhelm, eveneens een beroemd medicus, met een opdracht aan de Deense koning Frederik III. Kennelijk wilde hij het ook buiten de landsgrenzen bekendheid geven, want het verscheen niet in Kopenhagen, maar in Leiden, bij Johannes Elzevier, telg uit het beroemde Nederlandse uitgeversgeslacht, dat zich al sedert het begin van de zeventiende eeuw op de internationale markt richtte. Gestimuleerd door de handel bevorderende maatregelen van de Deense koning Christian IV, hadden de Elzeviers in deze periode zelfs een filiaal in Kopenhagen.
Het hierboven beschreven boek maakt deel uit van de aan de Universiteitsbibliotheek nagelaten boekencollectie van Johann Conrad Barchusen (1666-1723). Duitser van origine, studeerde hij scheikunde en farmacie aan de universiteiten van Berlijn, Mainz en Wenen. Vervolgens reisde hij door Italië en Hongarije, waar hij als arts de strijd tegen de Turken meemaakte. In 1694 werd hij als privaat-docent scheikunde in Utrecht toegelaten en kort daarna werd hem een laboratorium ter beschikking gesteld, het 'Laboratorium chemicum', in de kelders van de huidige Sterrenwacht, gelegen op het bolwerk Zonnenburg tegenover de toenmalige Hortus Botanicus aan de Nieuwe Gracht. In 1698 werd hem het eredoctoraat in de medicijnen verleend en werd hij benoemd tot lector in de scheikunde. In 1703 volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in die discipline. Hij wordt wel beschouwd als de eerste hoogleraar die de scheikunde een aparte plaats als zelfstandige wetenschap binnen het universitaire onderwijs heeft gegeven. Behalve scheikunde rekende Barchusen ook botanie, natuur- en sterrenkunde tot zijn aandachtsgebieden. In zijn testament bepaalde hij dat zijn botanische boeken, die deels van eigenhandige aantekeningen waren voorzien, en alle overige werken op het terrein van de 'Historia rerum naturalium' (natuurlijke historie), voor zover deze in de Bibliotheek van de Hogeschool ontbraken, in deze collectie opgenomen moesten worden. Na het overlijden van Barchusen in 1723 werden dan ook 165 werken door de vroedschap in ontvangst genomen, het 'Legatum Berkhusianum', alsmede een portret van de schenker, dat nog steeds deel uitmaakt van het Utrechtse universitaire bibliotheekbezit.
Literatuur